Eén van de misverstanden die er over de oudheid bestaan, is dat mensen in de Griekse en de Romeinse wereld niet ouder konden worden dan pakweg 30 à 40 jaar, wat volgens veel geschiedenisboekjes de gemiddelde levensverwachting was. Een gemiddelde levensverwachting betekent niet dat iedereen die geboren werd, genetisch gezien maximaal 40 jaar oud kon worden, het cijfer is bij voorbaat misleidend: de gemiddelde levensverwachting geeft aan hoeveel jaren iemand gemiddeld vanaf zijn geboorte zal leven op grond van het sterftecijfer, los van enige context, zoals erfelijke eigenschappen, sociale omstandigheden, geslacht en levensstijl.

De eerste twintig levensjaren waren inderdaad een beproeving in de oudheid. Al bij de geboorte werd er een scherpe selectie gemaakt: de overlevingskansen voor gehandicapte en ongewenste kinderen waren bijzonder klein: in de meeste Griekse en Romeinse gemeenschappen vond een strenge selectie plaats en indien de vader een kind niet accepteerde, werd het ‘weggegooid’. Zo schrijft Dionysius van Halicarnassus dat de Romeinen in de tijd van Romulus een speciale plek hadden om zulke kinderen te dumpen en sommeert de Twaalftafelenwet om zulke kinderen direct te stenigen; pas in de late oudheid (ca. derde eeuw) veranderde dit.

Kinderen die door hun opvoeders geschikt bevonden werden om te blijven leven, bleven kwetsbaar: kinderziektes, epidemieën en slechte levensomstandigheden waren niet bevorderlijk voor een lange levensduur; meisjes trouwden bovendien (te) jong en liepen bij iedere zwangerschap een hoog risico om te sterven, zeker bij de eerste bevalling(en).

Maar voor wie de eerste twintig jaar van zijn leven had doorlopen, zag de resterende levensverwachting er een stuk rooskleuriger uit. Exacte cijfers heb ik niet bij de hand, maar de maatschappelijke verwachting was wel dat een (mannelijke) volwassen burger gerust de zestig zou moeten kunnen halen, gelet op de carrièreperspectieven van bijvoorbeeld politici, soldaten en Vestaalse Maagden. Het hoogste bestuursorgaan van Rome, de senaat, was geïnspireerd op de Spartaanse gerousia, die tenminste 28 leden telde boven de 60 jaar. Hoewel er geen minimum leeftijd was om senator te worden, moest men over het algemeen een flink cv hebben opgebouwd om voor een zetel in aanmerking te komen. Op Romeinse munten wordt de senaat gesymboliseerd door een oude man (Genius Senatus) en de naam senaat is afgeleid van senex: oudere. Voor Romeinse soldaten en Vestaalse Maagden (ongetrouwde vrouwen!) gold een pensioenregeling.

Zowel de Romeinse als de Griekse samenleving was ingericht om oud te worden, al speelden de leefomstandigheden daarbij wel een belangrijke rol. Reeds in de oudheid was men zich ervan bewust dat een dichtbevolkte stad als Rome geen gezonde plek was om oud te worden: politici forensden vanuit landhuizen op het platteland en grafinscripties uit de armere wijken, waar men loodvergiftigd water dronk en opeengepakt woonde in onveilige huizen, laten zelden een hoge leeftijd zien: niet alleen de jaren, maar ook de maanden, dagen en uren dat iemand geleefd had, werden genoteerd als kostbare levenstijd.

Inscripties op het platteland en in andere provincies van het rijk laten onderling grote verschillen zien. Wie echt oud wilde worden, moest naar Afrika. In boek 8 van het CIL (Corpus Inscriptionum Latinarum) tref je zelfs met enige regelmaat een grafsteen aan van iemand boven de 90. Dit heb ik zelf per toeval ontdekt toen ik afgelopen zomer hier in de digitale editie aan het bladeren was, maar het zal ongetwijfeld meer epigrafisten zijn opgevallen.

Hoe kan het zo zijn dat je in sommige geromaniseerde dorpen kennelijk kon struikelen over de honderdjarigen? Mijn eerste ingeving was dat men hier, op het afgelegen en ongeletterde platteland, wellicht niet zo nauwkeurig was met tellen. Anders dan in Rome, waar zelfs levensuren werden bijgehouden, treffen we hier in sommige streken vaker ronde leeftijden aan (tientallen en vijftallen), wat kan duiden op afronding. Maanden, dagen en uren worden nauwelijks genoemd (hooguit bij kinderen). Daar komt bij dat de Romeinse jaarrekening anders in elkaar zit dan de onze. Een Romeins jaar was korter (354 dagen) en er werden van hogerhand dagen of maanden ingelast om alles weer gelijk te trekken met de zonnecyclus. Maar ja, wie houdt dat bij? De berichtgeving hierover en de handhaving zal niet overal even secuur zijn geweest. In sommige afgelegen gebieden wist men nauwelijks welke keizer er aan de macht was, laat staan welke hervormingen en feestdagen er door diezelfde keizer waren doorgevoerd. Misschien vertrouwde men daarnaast op een plaatselijk kalendersysteem, zoals bijvoorbeeld nu nog steeds in Egypte het geval is  (Alexandrijnse kalender).

Dankzij een tip van Jona Lendering weet ik inmiddels dat er -los van een andere jaarrekening- nog een hele andere en veel doortraptere reden was om heel erg bejaard te worden in de Romeinse wereld: fraude. Belastingen werden in het Romeinse rijk niet uniform geïnd; per provincie waren er grote verschillen in betaling. Sommige regio’s betaalden een bedrag in geld, anderen in natura. Er is een verordening bekend van keizer Augustus voor de bevolking van Egypte waarin staat dat iedere mannelijke inwoner van het Egyptische platteland in de leeftijd van 14 – 62 jaar (of 65 jaar) een vast bedrag aan belasting moest betalen (kijk hier op bladzijde 48); in de provincie Syria was belasting ook aan leeftijd gebonden: 65 jaar voor zowel mannen als vrouwen (zie bladzijde 49). Je kunt je voorstellen dat het gunstig was om met gedoogsteun van familie en omwonenden zo snel mogelijk 65 te worden en misschien wat jaren over te slaan. Vervolgens moest je dit wel volhouden tot je dood!

Toch valt het niet uit te sluiten dat er incidenteel echt iemand 100 jaar of ouder geworden is. In 2001 werd er in een mummiekarton een papyrusrol gevonden die maar liefst meer dan 100 ‘nieuwe’ epigrammen bevatte van de hellenistische dichter Poseidippos. Twee gedichten gaan over wat Poseidippos zelf ἑκατονταέτις noemt (zie epigram 47), het bereiken van de honderdjarige leeftijd. De gedichten zijn gecomponeerd in de derde eeuw voor Christus, dus ver voor de invoering van het Romeinse belastingsysteem. Beide epitafen zijn literair, maar zijn mogelijkerwijs geïnspireerd op bestaande personen of gebeurtenissen:

plaatje posei.png
‘Dit graf bevat Onasagoratis; zij beleefde het  
om kinderen te zien en ook de generaties die haar kinderen voortbrachten,
vier keer twintig in totaal: in de handen en harten
van tachtig nakomelingen werd zij, hoogbejaard, gekoesterd.
Op honderdjarige leeftijd vertrouwde het volk van Paphos haar,
Onasas’ zeer gezegende telg, hier toe aan het door vuur verteerde stof.’
(Posidipp. 47 )

 

poseid 105.png
‘Groet hem beleefd en als volgt, want de oude man die onder de steen
ligt, werd op vijf jaar na honderd jaar,
hij kwam uit Adramyttion: ‘Battus, zoon van Timanthes uit Adramyttion, …’
[De laatste regel is weggevallen, maar hier stond waarschijnlijk iets in de trend van ‘Jij leefde zeer gelukkig en je bent heel oud geworden.’]
(Poseidipp. 105 )
Ik besluit deze blog met enkele voorbeelden van Romeinse grafopschriften van honderdjarigen uit Noord-Afrika. De wetenschap dat sommigen van hen hoogstwaarschijnlijk notoire belastingontduikers waren, maakt het lezen van deze inscripties nog meer de moeite waard:

 

Schermafbeelding 2017-12-28 om 21.16.31.png
Aelius Zoticus/ werd/ 105 jaar/ hij ligt hier begraven. (CIL 8, 6716)

 

Schermafbeelding 2017-12-28 om 14.53.08.png
Iulius Licianus/ werd 115 jaar oud (CIL 8, 8274)

 

Schermafbeelding 2017-12-28 om 19.14.14.png
Voor de goddelijke schimmen./ Umbria Matronica./ Ik bereikte een rijpe leeftijd,/ [na] een langdurige slavernij in dienst van deze god en/ zijn religie, aan wie ik/ 80 jaar van mijn leven heb gewijd/, zelfs op blote voeten, kuis en zedig en goudeerlijk,/ zo toonde ik me aan de wereld/  en de burgers die haar delen en daarom, omdat ik mijn leven zo waardig heb geleid,/ moge de aarde mij welwillend ontvangen./ Ik ben 115 jaar geworden/ Hier lig ik begraven. Rust zacht. (Hic (Ossa) Tibi Bene Quiescant.)   (CIL 8, 7604)
Schermafbeelding 2017-12-28 om 14.47.31.png
Voor de goddelijke schimmen:/ Gaius Julius/ Victor werd/ 110 jaar. Rust zacht. (Hic (Ossa) Tibi Bene Quiescant.)  (CIL 8, 8364)

 

Praecilius.png
Hier toon ik, die nu zwijg, mijn leven in versregels:
Levenslicht heb ik genoten en zeer lange levenstijd;
Praecilius heet ik, mijn thuis was Cirta, ik was bankier.
Fideel was ik, altijd buitengewoon trouw en geëerd in alle opzichten.
Ook kon ik met iedereen goed opschieten: wie kon er niet op me rekenen?
Royaal was mijn lach, want ik genoot altijd in luxe met mijn dierbare vrienden
Tot de dood van Valeria, mijn voorbeeldige vrouw: daarna lachte ik niet meer.
Voor zover het in mijn macht lag, leidde ik een prettig leven, samen met mijn geëerde vrouw.
Nee, ik lieg niet: honderd gelukkige verjaardagen heb ik gevierd.
Ach, en toen brak de allerlaatste dag aan, waarop mijn ziel dit slappe lijf verliet.
Toen ik nog leefde, bereidde ik mij voor op dood: ik schreef de woorden die jij leest.
Vast heeft het Lot het zo gewild: nooit liet Fortuna mij in de steek.
Soortgelijke dingen staan jullie te wachten: ik wacht hier op jullie; kom!                                             (CIL 8, 7156, Mausoleum van Praecilius, Algerije)

Meer weten?

Austin C. – Bastianini G. (edd.), Posidippi Pellaei quae supersunt omnia, LED Edizioni Universitarie (Milan, 2002)

Boek, J.A. (Sander), Taxation in the later Roman empire, a study on the character of the late antique economy (Leiden, 2008) link

Wilmanns, Gustav e.a., Corpus Inscriptionum Latinarum (Berlijn, 1881), link

 

Advertenties