Ik hoop niet dat mijn bloglezers al genoeg van Asklepiades hebben, want ik ben van plan om deze zomer al zijn overgeleverde gedichten online te zetten, voorzien van een Nederlandse vertaling. Het zijn er ongeveer veertig. Een ruwe schatting, want van veel van deze gedichten is de auteur niet zeker. Dat geldt ook voor het epigram in deze blog: V. 161.

Ik las dit gedicht zo’n 10 jaar geleden voor het eerst in een Engelse editie, waar gedichten uit de Griekse anthologie op auteur gerangschikt waren. Ik ben vergeten om welke editie het ging, maar volgens mij was het een Oxford uitgave (blauwe kaft).

Ik heb geen idee wat precies de beweegredenen van de bewuste editor waren om dit epigram aan Asklepiades toe te schrijven. Staat het echt zo in het overgeleverde handschrift (helaas kan ik dat zo snel niet inzien) of komt het omdat het volgende gedicht (V. 162) van Asklepiades is en is er dus sprake van giswerk of een fout? Paton (Loeb-editie) en Heinemann melden dat Asklepiades’ vriend en tijdgenoot Hedylos het epigram geschreven moet hebben, maar ook zij kunnen ernaast zitten natuurlijk. Sens (2011) heeft vast een verklaring, maar die heb ik niet bij de hand (terwijl ik dit schrijf, zit ik namelijk in een vertraagde trein van Utrecht richting Leeuwarden).

Laten we aannemen dat het gedicht van Asklepiades of Hedylos is. Dat maakt een datering in ieder geval mogelijk: de vroege derde eeuw voor Christus. Wat valt verder op aan het gedicht? Het gaat over vrouwen, losbandige vrouwen van lichte zeden. Niks nieuws voor Asklepiades en waarschijnlijk ook niet voor iemand binnen zijn vriendenkring, zul je denken. Asklepiades was gefascineerd door vrouwen die zich niet geremd voelden in hun omgang met mannen. Dit waren doorgaans vrouwen die van het vermaken van mannen hun beroep hadden gemaakt en voor wie een relatie dus puur professioneel was: zij gebruikten de mannen die hen gebruikten.

Prostitutie was in de Griekse wereld een geaccepteerd verschijnsel. Het huwelijk was een verstandshuwelijk en diende alleen om legitiem nageslacht op stand te produceren. Voor andere vormen van gezelschap, mannelijk dan wel vrouwelijk, kon een Griekse burger op vele plekken terecht. Op een symposion (een literaire drinkavond voor mannen) kon hij een hetaere aan de haak slaan, een goed opgeleide gezelschapsdame die een gast vermaakte met intelligente één-op-één gesprekken over diverse onderwerpen, met muziek en andere vormen van intimiteit.

De dames die in V.161 genoemd worden, behoren tot een andere klasse. Zij zijn geen symposiondames, maar straathoeren (pornai). Dit milieu treffen we bij Asklepiades niet vaak aan (als het gedicht al van zijn hand is). De dichter zelf voelt zich er ook niet toe aangetrokken: hij is enkel als toeschouwer aanwezig en waarschuwt voor de werkwijze  in zulke bordelen.

De bordeelbezoeker wordt vergeleken met Odysseus, de mythische held die door een vloek van de god Poseidon tijdens zijn zeereis van Troje naar Ithaka verdwaald raakt op zee en met zijn bemanning tal van gevaren en beproevingen ondervindt. Odysseus blijft uiteindelijk alleen over en belandt als drenkeling in de grot van de zeegodin Calypso, waar hij een warm liefdesbed vindt. Vanaf het eiland van Calypso vaart Odysseus naar de Phaiaken. Ook deze reis overleeft hij ternauwernood: Homeros beschrijft hoe een naakte Odysseus aanspoelt op het strand van de Phaiaken en daar gevonden wordt door prinses Nausikaä, die hem naar het paleis van haar vader brengt. De dichter draait het thema om: wie zich tijdens nachtelijke omzwervingen mee laat voeren door de drie hoeren uit het epigram, vindt tegen zijn verwachting in geen liefdesgrot of een feestelijk onthaal in een kasteel: hij zal juist schipbreuk lijden en alles verliezen.

De drie pornai van Diomedes -wellicht hun vader, maar ik denk eerder de eigenaar van het bordeel- worden voorgesteld als oud en lelijk; de Graiai of ‘Grijze zusters’ waren volgens de mythologie drie oude zeeheksen die één oog en één tand moesten delen. Hun handelswijze is als volgt: argeloze voorbijgangers worden het bordeel ingelokt, waar ze van geld en andere kostbaarheden worden beroofd. Oplichtingspraktijken waar je tegenwoordig een spraakmakend televisie-item van zou kunnen maken.

Kennelijk bezitten de drie oplichtsters nog de kunst om mannen te verleiden. De dichter vergelijkt ze in de laatste versregel met Sirenen: wonderlijke wezens (ze komen onder andere voor in het verhaal van Odysseus) met een lelijk vogellijf, maar een niet onaantrekkelijk vrouwengezicht, die prachtig konden zingen. Wie in de buurt van hun eiland kwam,  kon het gezang weerstaan en stevende af op de dodelijke rotsen… Waren Euphro, Thais en Boidion dan zo knap of zoetgevooisd? Nee, niet bepaald. Niet voor niets gebruikt de dichter de vergelijking met de Sirenen voor het laatst. Het is (heel erg) ironisch bedoeld. Hun opdringerige geflirt en onderlinge gekakel zal eerder het tegenovergestelde zijn geweest van een goddelijke zang.

Tot slot nog het thema ‘Piraten van Aphrodite’ (τὰ λῃστρικὰ τῆς Ἀφροδίτης). In de Griekse Anthologie zijn meerdere gedichten te vinden, waarin vrouwen vergeleken worden met piraten (een λῃστής is een rover of een piraat). Piraterij was een serieus probleem in de oudheid. Er ging veel verkeer over zee, zeker daar het terrein op het vasteland lang niet zo goed begaanbaar was als nu. Snelle piratenschepen verscholen zich vaak bij rotsen of kleine eilandjes voor de kust. Op het moment dat een log vrachtschip hierlangs moest varen, werd er voor een verrassingsaanval gekozen. Veel schepen werden op deze manier geplunderd en soms zelfs tot zinken gebracht, want een overgave ging natuurlijk niet zonder slag of stoot.

Schermafbeelding 2017-08-17 om 21.14.12.pngOnderstaand epigram van Rufinus komt ook uit de Griekse Bloemlezing (Anthologia Graeca). Het gedicht bevat veel elementen die hetzelfde zijn en heeft zich duidelijk door V. 161 (of een eerdere bron) laten inspireren. Het thema τὰ λῃστρικὰ τῆς Ἀφροδίτης wordt zelfs woordelijk overgenomen (r. 3). Opvallend is ook τῷ Σαμίων λιμένι in r. 2. Indien V. 161 de inspiratie vormde voor Rufinus, dan laat hij hiermee wellicht doorschemeren dat V. 161 geschreven is door een dichter uit Samos en dan is Asklepiades of Hedylos als auteur geen vergezochte gedachte. Het kan natuurlijk ook zijn dat het autobiografisch is (we weten namelijk helemaal niks over Rufinus). Er is in dit gedicht niet sprake van drie, maar van twee piratenhoeren. Een aardig detail. Bij Homeros is het namelijk niet duidelijk of het nu twee of drie Sirenen zijn, die zeelui op de klippen laten lopen.

Schermafbeelding 2017-08-17 om 21.11.55.png

 

 

 

 

Advertenties