Alle epigrammen die we (wellicht) aan Asklepiades kunnen toeschrijven, danken we aan de vondst van een Byzantijnse bloemlezing uit de 10e eeuw. Het manuscript werd opgedoken uit de archieven van de bibliotheek van Heidelberg door een Franse geleerde in 1606 en kort daarna in drukwerk uitgegeven voor het grote publiek. Geen moment te vroeg, want nog geen twintig jaar later brak er in Duitsland een godsdienstoorlog uit en was het lot van de vele oude manuscripten in de katholieke bibliotheek onzeker. In 1622 kwam de bibliotheek in handen van de Katholieke Liga, die besloot de kostbare manuscripten aan de paus te schenken. Met een karavaan van honderden muilezeltjes werden de boeken, waaronder de bloemlezing, naar het Vaticaan gebracht.

De gedichten in de Anthologia Palatina zijn ingedeeld op onderwerp. Namen van dichters worden genoemd, maar niet bij elk gedicht, waardoor het auteurschap soms onduidelijk is, evenals een datering: de gedichten variëren van de 6e eeuw v. Chr. tot de 6e eeuw n. Chr. Binnen het centrale onderwerp (liefde, grafopschriften, wijgeschenken) zien we verder dat gedichten met eenzelfde motief of onderwerp bij elkaar geplaatst staan, waardoor er ‘groepjes’ of paren ontstaan.

Een opvallend duo vormen de volgende twee gedichten, beiden afkomstig uit boek 5. Ze worden toegeschreven aan Asklepiades, hoewel sommige geleerden in het gedicht over Plango de hand van zijn collega Poseidippos herkennen.

Voor de argeloze lezer gaan de twee gedichten over onschuldige paardenmeisjes, maar dat is natuurlijk vreemd, aangezien het niet past binnen het thema van boek 5: liefde en erotiek. Wie meer gedichten van Asklepiades gelezen heeft, durft rustig te beweren dat hij niet zo geïnteresseerd kan zijn geweest in de hippische sport en liever een symposion of een bordeel moet hebben bezocht. We moeten de gedichten dan ook in die sfeer lezen en metaforisch opvatten. Plango van Milete en Philaenis van Samos waren beruchte hetairen (‘gezelschapsdames’); zij bereden geen paarden, maar minnaars. Zowel Plango als Lysidike wijden hun kinky ruiterattributen aan Aphrodite (Kypris), dat zegt genoeg. Het zijn overigens geen goedkope speeltjes: goud en purper waren voorbehouden voor de rijken.

Dat is één van de redenen waarom Alan Cameron in Plango’s overwinning een parodie leest op de Olympische overwinning van het vierspan van Bilistiche (268/ 264 v. Chr.), courtisane en minnares van Ptolemaeos II Philadelphos. Het epigram kan inderdaad gelezen worden als een parodie op een overwinningslied (lees bijvoorbeeld eens die van de dichter Pindaros); er wordt ook expres gebruik gemaakt van episch/ Homerisch taalgebruik. Het is echter de vraag of Asklepiades in die tijd nog in leven was en aan het hof verkeerde. Mocht het gedicht van zijn hand zijn, dan is de vergelijking Plango-Bilistiche wellicht te ver gezocht. Maar als het epigram van Poseidippos is, dan zou het goed kunnen. Hij moet net als Kallimachos vaker overwinningsoden hebben geschreven en kende het hof van Alexandrië goed.  Poseidippos moet ook nog geleefd hebben toen Bilistiche door Ptolemaeos gelijkgesteld werd met Aphrodite.

Schermafbeelding 2017-07-24 om 20.56.43.png

 

Schermafbeelding 2017-07-25 om 18.30.29

Meer weten?

A. Cameron (1995), Callimachus and his critics, Princeton

 

Romeinse fresco uit een bordeel, Pompeii
Een Romeinse fresco uit een bordeel in Pompeii.

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties